De ruimtelijke kwaliteit weer op de politieke
agenda.
Nu, met het huidge kabinet, is het
onderwerp ruimtelijke kwaliteit weer helemaal terug op de agenda.
De Volkskrant heeft een multimediale, brede
maatschappelijke discussie georganiseerd en de huidige minister heeft de
kwaliteit van de ruimtelijke ordening tot speerpunt van haar beleid
gemaakt. Het Ruimtelijk Planbureau gaat o.a. door het monitoren van een
aantal ontwikkelingen de minister de mogelijkheid bieden handen en voeten
te geven aan haar intenties.
Maakt ze een kans? Als je de geschiedenis moet geloven niet echt!
Immers zelfs Jan Pronk, misschien wel de meest daadkrachtige Nederlandse
minister ooit, heeft met lede ogen moeten toezien dat wat hij met zoveel
moeite gedurende zijn periode op het ministerie van Volkhuisvesting
Ruimtelijke Ordening en Milieu tot stand had gebracht direct na de
overdracht van de macht ter zijde werd geschoven. Hij was bovendien niet
de eerste die zich op het onderwerp heeft stuk gebeten.
Het ruimtelijk verhaal gebroken.
Het kwaliteitsgebrek in de ruimtelijke ordening heeft in Nederland
zijn intrede gedaan zo rond 1975 met de Bijlmermeer als meest spraakmakend
voorbeeld. Na aanleiding van de sterke groei van Parijs, Londen en New
York was toen al bekend dat met traditionele vormgeving de toegenomen
grootte van de steden niet vorm te geven was. De Bijlmer maakte in
Nederland pijnlijk duidelijk dat met een vormgeving tussen stad (flats) en
land (de ingesloten groene ruimtes) in, niet een kwalitatief sterke
verbinding tussen beide werelden werd gerealiseerd maar een verarmde
tussenvorm die noch de landelijke, noch de stedelijke kwaliteiten bezat.
Het splitsen van de verkeerstromen maakte dit probleem alleen maar erger.
De ene schraalheid trekt de ander aan waarmee al snel na de realisatie van
de Bijlmer, een spiraal van verloedering optrad.

verloedering Bijlmer, stapeling van kwaliteit gebrek.
De groei van de steden naar metropolen heeft na de industriële
revolutie in een snel tempo plaats gevonden. De vormgeving daarvan was
voor architecten en stedenbouwers een nieuwe uitdaging. Teruggrijpen op de
lange traditie van bouwkundig vormgeven was niet mogelijk. Logisch dat er
in die jaren geëxperimenteerd is om de problematiek goed te doorgronden en
dat vooral mislukkingen inzicht gaven over het overschrijden van grenzen.
Wat bij het ontstaan van metropolen doorbroken werd is wat daarvoor nog
nooit doorbroken was, het ruimtelijk verhaal.

Plan Voisin van Corbusier voor Parijs. Een abstract
ruimtelijke oplossing echter met een breuk tussen de architectuur - en
stedebouwkundige schaal.
Het ruimtelijk verhaal en zijn vormgeving.
Via een ruimtelijk verhaal kennen wij onze omgeving. Het geeft ons
inzicht in het verband van de kleinste kamer van een huis tot aan de vrije
natuur. Het ruimtelijk verhaal van een stad biedt ons dit aan in een
aantal op elkaar betrokken werelden die van klein naar groot het verhaal
vormen.
De eerste wereld die het dicht bij ons staat en waar het ruimtelijk
verhaal mee begint is de ruimtelijke wereld van de huizen en gebouwen, de
wereld van de architectuur.
Het bijzondere van deze wereld is dat wij op basis van ons eigen fysiek
een relatie aangaan met deze wereld.

Het eigen fysieke lichaam
in verhouding met de architectonische ruimte, het begin van het ruimtelijk verhaal.
Het is voor ons makkelijk door het kennen van de ruimtes waaruit een huis
of gebouw bestaat ons van het geheel een beeld te vormen, vooral als het
helder is samengesteld en we ook in de gelegenheid zijn geweest een indruk
van de buitenkant te krijgen. Wordt het aantal ruimtes echter zeer groot
en is bovendien de samenstelling willekeurig dan lukt de beeldvorming niet
meer.
Dit mislukken ervaren wij als onprettig en als een gebrek aan ruimtelijke
kwaliteit, In horrorfilms is dit effect regelmatig gebruikt om een gevoel
te creëren gevangen te zijn in een omgeving.
Een schaalniveau groter is de wereld van de stedenbouw, de wereld van de
architectuur is hier de leverancier van de basiselementen en daardoor
sterk verbonden met deze wereld. Van deze basiselementen huizen en
gebouwen worden o.a. de pleinen, straten,
stegen en avenues samengesteld, welke in
samenhang wijken vormen, welke de stad vormen.
Ook als in deze wereld er geen grens is aan het gebruik, bijvoorbeeld als
de ene straat de andere straat maar blijft opvolgen in een schijnbaar
eindeloos reeks dan lukt het ons niet meer daar een ruimtelijke beeld van
te vormen hetgeen vervreemdend werkt en wij net als in de wereld van de
architectuur ervaren als een gebrek aan ruimtelijke kwaliteit.
De wereld wederom een schaalniveau groter is die van het landschap. Het
landschap legt in de wereld van de stedenbouw zijn verbinding met
stadsparken en ander groen. Het bijzondere van deze ruimtelijke wereld is
dat deze doorloopt tot de open landschappelijke ruimte, welke het einde
inluidt van het ruimtelijk verhaal. Nederland is rijkelijk bedeeld met
deze ruimtelijke vorm.

Central park New York, het ruimtelijk element dat de
maat van Manhattan bepaald.
Ontwerpers staan kortom drie werelden met een oplopende schaalgrootte ter
beschikking om het ruimtelijk verhaal vorm te geven. Voor het gebruik van
elke wereld bestaan er grenzen worden deze overschreden dan ontstaat er
ter plekke een verzwakking van de ruimtelijke kwaliteit en een aantasting
van het ruimtelijk verhaal.
De binding met het ruimtelijk verhaal gaan wij aan via de kleinste
elementen (ruimtes) van de kleinste wereld. In onderlinge relatie en met
twee schaalstappen wordt via de grootste ruimte type van de
landschappelijke wereld, het open landschap het einde van het ruimtelijk
verhaal ingeluid.

Het open landschap.. |
In het open landschap wordt onze ruimtelijke beeld omgedraaid. Vormen we
in de werelden van ruimtelijk verhaal ons voordurend een ruimtelijk beeld
van onze omgeving en hoe deze zich tot ons fysiek verhoudt, in de open
landschappelijke ruimte laten wij dit los gedwongen door de
onmogelijkheid. Wat overblijft ervaren we daardoor nadrukkelijker, onze
eigen fysieke ruimtelijkheid staand op het aardoppervlak.

Het eigen fysieke lichaam in de oneindige
ruimte, het eind van het ruimtelijk verhaal.
Het menselijk talent om zich via een ruimtelijk verhaal een mentaal beeld
van zijn omgeving te vormen is essentieel om zich te kunnen verhouden
tot de wereld om haar/hem heen. We kunnen dit ruimtelijk verhaal
bovendien versterken met een stelsel van datgene wat ons opvalt binnen
de ons bekende omgeving. Kijk maar hoe we anderen de weg wijzen; “U gaat
vervolgens links af na het Shell pompstation” of ” het is een
paar huizen verder dan de bakkerswinkel met de opvallende gele
winkelpui”. of “ het is de straat waarin u in het verlengde de
kerktoren ziet”.etc., etc.L.J.m. Tummers en J.M. Tummers-Zuurmond
hebben met hun boek “Het land in de stad” een handboek en de geschiedenis
geschreven over het gebruik van de vormentaal van de wereld landschap bij
het ontwerpen van de grote agglomeraties. Een standaardwerk over de
verhoudingen binnen de domeinen architectuur en stedenbouw is het boek “De
architectonische ruimte”” van Dom H. van Der Laan.
Nu we weten dat met het gebruik van de ruimtelijke elementen uit de
wereld van het landschap we wel in staat zijn
metropolen en agglomeraties vorm te geven, dan zou je zeggen dat met
architecten, landschaparchitecten en stedenbouwkundigen die hun vak
verstaan het probleem is opgelost. Niets is echter minder waar.
Zonder vormgevers geen vormgeving.
Binnen Nederland hebben ruimtelijke ontwerpers, heel verrassend, niks
met deze opgave te maken. In de Nederlandse context is dit het domein van
praktisch uitsluitend bestuurders en planologen. Zij betrekken de
ruimtelijk ontwerpers alleen bij deelgebieden met het gevolg dat
verrommeling alle kans krijgt. Binnen de politiek en de verschillende
kabinetten ontbrak het inzicht dat het in zijn kern een ruimtelijk ontwerp
probleem betrof ondanks dat in de inventarisatie van de kritiek zowel in
de tijd van minister Pronk als nu toch overvloedig duidelijk maakte dat
het hier om een vormgevingsprobleem ging. Niettemin probeert men al sinds
1975 met de planologische, bestuurlijke aanpak een vormgevingsprobleem op
te lossen en dat lukt natuurlijk niet. Ook de huidige aanpak, welke een
vorm van symptoombestrijding is, kan niet slagen. Zelfs het Ruimtelijk
Planbureau, een bestuurlijk- planologisch adviesorgaan van de regering
ziet dit in. Men verklaart dat het ideaalbeeld wat oprijst uit de kritiek
en wensen niet meer te realiseren is in de huidige
situatie. Binnen de planologie is een oplossing ook niet logisch.
Planologen proberen voor een gebied zoveel als mogelijk tegemoet te komen
aan de eisen en wensen van de belanghebbende(n) voor dit gebied. Als het
een gebied is in de buurt van steden dan zijn er logisch veel
belanghebbenden en veel eisen en wensen Om al deze eisen en wensen een
plaats te geven heeft men vaak de neiging het gebied in kleinere
oppervlakten op te delen om makkelijker de wensen en eisen een plek te
kunnen geven. Bij uitbreiding van steden moet men om het ruimtelijk
verhaal in stand te houden echter juist de grotere schaal gebruiken van
landschappelijke elementen. De planologische benadering maakt dit
moeilijker en bevordert daarmee eerder op deze plekken ruimtelijke
kwaliteitsverarming, zoals verrommeling, dan
deze tegen te gaan. Daarnaast heeft, hoewel in Nederland in veel beperkter
mate dan in menig buitenland, bestuurlijk
opportunisme de ruimte gehad zich te doen gelden met o.a. kwaliteitsarme
en snel in verval rakende industrieterreinen als gevolg. Maar ook binnen
steden treed dit op. Amsterdam Noord is nu geen eenheid. Het deel
wat aansluit op de havens is chaotisch en kent veel zwakke plekken.
Ziet de minister in dat ze met name een vormgevingsprobleem heeft dan maakt ze een
kans. Lukt het haar de vormgevers architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwers dit vormgevingprobleem te laten oplossen dan is de zaak ten
goede gekeerd. Het is dan ook niet nodig dat ze zich beperkt tot de wel
magere insteek van opruimen en voorkomen van verrommeling maar kan ze met
een gerust hart het initiatief nemen het creëren van ruimtelijke kwaliteit
een positieve impuls te geven.
Het ligt voor de hand dat je voor elke stad een team van ontwerpers
samenstelt die gemeenschappelijk het ruimtelijk ontwerp van de stad maken,
aanpassen en onderzoeken. Het gaat hier om de stad als ding. In het geval
van de stad Rotterdam dus in ieder geval de gemeentes Rotterdam, Schiedam,
Vlaardingen, Maasland en Rozenburg. Om het land in de stad te ontwerpen is
het noodzakelijk dat deze teams kunnen samenwerken met ontwerpteams die
het omringend landschap op een gelijke wijze onder hun hoede hebben. Deze
teams dienen hun ontwerpen te kunnen afstemmen met een team dat
verantwoordelijk is voor een regionale schaal voor ontwerp uitspraken die
op het regionale niveau hun plannen beďnvloeden en voor de echt grote
lijnen met een team op landelijk niveau.
De ontwerpen dienen vervolgens afgestemd te worden en ingepast in het
stelsel van plannen (bijvoorbeeld bestemmingsplannen) zoals dat nu in Nederland
bestaat.
Kansen.
Kansen die we kunnen gaan benutten zijn bijvoorbeeld voor Amsterdam de
Zuid-as. Wordt dit project als een park vormgegeven, hetgeen zeer goed past
bij de huidige ontwerpen van de hoofdkantoren van multinationals als
sculpturen dan is er een heldere verhouding ontstaan naar de grens van de
stad (Amstelveen) die raakt aan het groene hart. Richting het centrum
ontstaat de uitdaging relaties met andere parken en groen te versterken en
zo het ruimtelijk verhaal te versterken. De dynamiek die nu ontstaat
aan de noordkant van het Ij met de herinrichting van de havens biedt een
gelijke kans voor het Noorden van de stad.

Het
Kraanspoor gebouw Amsterdam Noord.
Den Haag heeft in het noordelijke deel al een volledig patroon van met
elkaar verbonden parken. Samen met de assen van Den Haag is dit systeem
krachtig genoeg om de hele stad verder vorm te geven.
Een voorbeeld van wat speelt op regionaal niveau is het gebied tussen
Rotterdam en Den Haag. De steden dreigen te dicht naar elkaar te groeien
(zijn te dicht naar elkaar toe gegroeid).
Een ruimtelijk verhaal van dorp, stad of metropool vormgeven is voor
architecten stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten nu nog
uitzonderlijk. Word dit een vast onderdeel van hun opdrachten pakket en is
er passende ondersteuning van bestuur en planologie in plaats van
tegenwerking, dan zal op korte termijn de professionalisering vorm krijgen
en dan is het nog een kwestie van tijd tot dat er substantiële
verbeteringen zichtbaar worden.
|